Voor wie?

Voor wie?

1° De militairen van het actief kader en de leden van het burgerpersoneel die onder het Ministerie van Landsverdediging ressorteren;

2° De personeelsleden van de instellingen onder voogdij van de Minister van Defensie;

3° De gewezen personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging of van een instelling onder de voogdij van de Minister van Defensie die genieten van een rustpensioen, een pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid, een vergoedingspensioen ten laste van de Staatskas of een rente voor arbeidsongeval of beroepsziekte voor een schadelijk feit opgelopen tijdens de loopbaan bij het Ministerie van Landsverdediging of bij een instelling onder de voorgdij van de Minister van Defensie;
Voor het rustpensioen dient het aantal gepresteerde dienstjaren aan het Ministerie van Landsverdediging of de instellingen onder de voogdij van de Minister van Defensie minstens 20 jaar te bedragen;

4° De echtgeno(o)t(e) en de partner van de begunstigden vermeld in 1° tot 3° voor zover deze dezelfde wettelijke woonplaats hebben als de verwante begunstigde;

5° De kinderen met recht op kinderbijslag voor zover deze dezelfde wettelijke woonplaats hebben als de verwante begunstigde vermeld in 1° tot 3° ;

6° De niet-inwonende kinderen gerechtigd op kinderbijslag van de begunstigden vermeld in 1° tot en met 3°, enkel voor behoeften ontstaan tijdens de periode van huisvesting bij de begunstigde;

7° De langstlevende echtgeno(o)t(e) of de partner van de overleden begunstigde bedoeld in 1° tot en met 3°, voor zover hij/zij niet hertrouwd is, niet samenwoont met een partner of een wettelijk samenlevingscontract heeft ondertekend, en hij/zij dezelfde wettelijke woonplaats had als de begunstigde op het ogenblik van het overlijden;

8° De wezen van de begunstigden vermeld in 1° tot 3° die genieten van kinderbijslag of een wezenpensioen;

9° De personen die de eretitel van `veteraan’ dragen;

10° De gewezen personeelsleden vermeld in punt 1° en 2° die niet onder de punten 3° tot 9° vallen blijven gedurende een periode van drie jaar volgend op het einde van hun dienst begunstigden voor zover ze gedurende ten minste acht jaar begunstigden waren op grond van punt 1° of 2° ;

11° De leden van de getrainde reserve, uitsluitend voor de activiteiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, wanneer ze zich in actieve dienst bevinden en voor feiten die zich tijdens hun werkelijke dienst voorgedaan hebben, en artikel 2, eerste lid, 4° en 5° ;

12° Uitsluitend voor de activiteiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 5°, en onder beding van wederkerigheid, de rechthebbenden van gelijkaardige organisaties ten behoeve van geallieerde strijdkrachten;

13° Gedurende de periode dat zij werken voor deze organisatie, het personeel van de organisaties waarmee de Centrale dienst een, door het Beheerscomité goedgekeurd, akkoord met specifieke voorwaarden heeft afgesloten;
Van de activiteit bedoeld in artikel 2, 7° genieten enkel de begunstigden bedoeld in punt 3° en hun familieleden die reeds van voor hun pensionnering waren aangesloten.